Psalmen voor Nu — Psalm 106 - Telkens de mensen altijd God song lyrics and translation
The page contains the lyrics and English translation of the song "Psalm 106 - Telkens de mensen altijd God" by Psalmen voor Nu.
Lyrics
Een lied voor de HEER omdat hij voor ons zorgt,
hij gaat met ons mee, laat ons nooit in de steek.
Wij komen voor wat hij doet woorden te kort.
Geluk lacht je toe wanneer je zuiver leeft.
Denk aan mij, HEER,
wanneer u kijkt naar het volk van uw hart.
HEER, ik bid u,
gun mij een plaats bij het volk van uw hart.
Het zit in ons bloed: wij doen niet wat God wil.
Wij blijven maar blind voor wat God voor ons doet.
Het land van de Nijl heeft het ons laten zien:
al eeuwen geleden zat zijn volk hem dwars.
Hij hield zijn belofte, bevrijdde zijn volk.
Het water moest wijken, de Rietzee viel droog.
Hij haalde zijn mensen uit Farao’s klauw.
Die haalde ze neer, maar God trok hen omhoog.
Al het water
golfde terug en de vijand verdronk.
De soldaten
wilden hen doden,
maar kwamen zelf om.
Een prachtige toekomst, een schitterend land
had God hun beloofd, zij vertrouwden hem niet.
In hun tenten
ging het gezeur onophoudelijk door.
Van wat God zei,
drong ondertussen geen woord tot ze door.
Daarom liet de HEER toen zijn mensen maar los:
ze mochten verwaaien, daar in de woestijn.
Zinloos, naamloos
moesten hun kinderen voortaan bestaan;
doelloos, godloos,
enkel maar leven om weer te vergaan.
Soms wisten ze weer: wat de HEER zegt, is waar;
zij zongen hem lof toe, maar niet lang daarna
was alles vergeten, ze klaagden maar raak
en hadden geen boodschap aan God en zijn plan.
Ze zeurden om eten, hun buik werd hun god.
Zij vraten zich vol met het vlees dat God gaf.
En toch liep het volk tegen Mozes te hoop
en tegen zijn broer. En toen was God het zat.
Aarde scheurde,
werd voor Abiram en Datan een graf.
In een vuurzee
werden hun aanhangers leven verbrand.
Ze maakten daarna bij de Horeb een beeld,
het beeld van een stierkalf, een ding van metaal.
Daar knielden ze neer, voor een gras vretend dier,
het beeld van zo’n beest. Alsof God niet bestond.
Ze dachten niet meer aan hun reddende God
die Farao toonde hoe machtig hij was.
God had aan Egypte zijn macht laten zien,
maar Gods eigen volk vergat hoe sterk hij was.
God werd woedend:
een volk als dit had geen recht van bestaan.
Mozes smeekte
en God besloot toch weer verder te gaan.
Een prachtige toekomst, een schitterend land
had God hun beloofd, zij vertrouwden hem niet.
In hun tenten
ging het gezeur onophoudelijk door.
Van wat God zei,
drong ondertussen geen woord tot ze door.
Daarom liet de HEER toen zijn mensen maar los:
ze mochten verwaaien, daar in de woestijn.
Zinloos, naamloos
moesten hun kinderen voortaan bestaan;
doelloos, godloos,
enkel maar leven om weer te vergaan.
Toen werd één of andere Baäl hun god.
Zij aten van vlees voor een god die niet leeft.
Zo tergden de mensen hun levende God
en zo kreeg de dood ze weer eens in zijn greep.
Maar Pinechas maakte een eind aan de ramp,
hij zag het verkeerd gaan: meteen greep hij in.
Door trouw van één mens bleef God trouw aan zijn plan,
besloot hij met Israël weer door te gaan.
Al dat klagen:
Mozes werd woedend, hij was het zo zat;
hij versprak zich,
haalde de woede van God op zijn hals.
Zij roeiden de andere volken niet uit.
God had dat bevolen. Zij deden het niet.
Zij hebben zich zelfs met die mensen vermengd,
hun goden vereerd, hun daden nageaapt.
Zo raakten zij vast in een wurgende strik:
zij gaven hun goden in alles hun zin,
zij offerden afgoden hun eigen kind,
hun zonen en dochters, hun bloedeigen bloed!
Wat een schande!
Smerige mensen, verziekt, zonder hart.
En de aarde?
Een poel van drek werd zijn prachtige land.
Een prachtige toekomst, een schitterend land
had God hun beloofd, zij vertrouwden hem niet.
In hun tenten
ging het gezeur onophoudelijk door.
Van wat God zei,
drong ondertussen geen woord tot ze door.
Daarom liet de HEER toen zijn mensen maar los:
ze mochten verwaaien, daar in de woestijn.
Zinloos, naamloos
moesten hun kinderen voortaan bestaan;
doelloos, godloos,
enkel maar leven om weer te vergaan.
De HEER was het zat, hij verachtte zij volk.
Hij liet in zijn woede de vijand begaan.
Opnieuw werden vreemden de baas van het volk.
Dat werd onderdrukt, kon bijna niet bestaan.
Maar elke keer weer keek God om naar zijn volk,
dat altijd zo koppig was, zo eigenwijs.
Hij zag hun ellende, had oog voor hun nood.
Hij kon het niet aanzien en weer kreeg hij spijt.
Dit was zijn volk,
volk van belofte en volk van zijn hart.
Door Gods liefde
was zelfs de vijand begaan met hun lot.
U bent onze God, hoor ons aan, maak ons vrij.
Wij leven verstrooid, brengt u ons bij elkaar
zodat onze stemmen één lied kunnen zijn,
een loflied voor u die met ons door wilt gaan.
HEER, ik dank u,
dank u dat u God van Israël bent.
Alle tijden
heeft u gegeven, houdt u in stand.
Iedereen weet
dat u de HEER bent. Wij zingen u toe,
zeggen amen,
amen op alles wat u deed en doet.
Alle eer aan God.
Lyrics translation
A song for the Lord for taking care of us,
he's coming with us.he never leaves us.
We are short of what he does.
Happiness smiles on you when you live pure.
Think of me, Lord,
when you look at the people of your heart.
Lord, I pray thee,
grant me a place among the people of your heart.
It's in our blood: we don't do what God wants.
We remain blind to what God does for us.
The land of the Nile has shown us:
centuries ago, his people were bothering him.
He kept his promise, freed his people.
The water had to give way, the Reeds fell dry.
He pulled his people out of Pharaoh's claw.
She took them down, but God pulled them up.
All the water
waved back and the enemy drowned.
Soldiers
wanted to kill them,
but they died on their own.
A beautiful future, a beautiful country
had God promised them, they would not have trusted him.
In their tents
the nagging continued.
From what God said,
in the meantime, not a word got through to them.
So the Lord let go of his people:
they were allowed to blow up in the desert.
Pointless, nameless
had their children to exist in the future;
aimless, Godless,
just live to perish again.
Sometimes they remembered: what the Lord says is true;
they praised him, but not long after that.
forgot all about it, they just complained.
and had no message to God and his plan.
They whined for food, their bellies became their god.
They ate themselves full of the flesh God gave.
And yet the people ran against Moses in hope
and his brother. And then God was sick of it.
Earth ruptured,
became a grave for Abiram and Datan.
In a blaze
their adherents ' lives were burned.
They then made an image at the Horeb.,
the statue of a bull calf, a thing of metal.
There they kneeled down for a grass-eating animal.,
the image of such an animal. Like God didn't exist.
They stopped thinking about their saving God.
that Pharaoh showed how powerful he was.
God had shown Egypt his power,
but God's own people forgot how strong he was.
God became furious:
a people like this had no right to exist.
Moses begged
and God decided to move on anyway.
A beautiful future, a beautiful country
had God promised them, they would not have trusted him.
In their tents
the nagging continued.
From what God said,
in the meantime, not a word got through to them.
So the Lord let go of his people:
they were allowed to blow up in the desert.
Pointless, nameless
had their children to exist in the future;
aimless, Godless,
just live to perish again.
Then some Baal became their god.
They ate meat for a god who doesn't live.
Thus did men destroy their living God.
and so death seized them once again.
But Pinechas put an end to the disaster,
he saw it go wrong, he stepped in.
By the loyalty of one man, God remained true to his plan.,
he decided to go back to Israel.
All that complaining:
Moses got angry, he was so sick of it.;
he misspoke,
got the wrath of God on him.
They did not exterminate the other peoples.
God ordered it. They didn't do it.
In fact, they have mixed themselves with these people.,
worshipping their gods, copying their deeds.
So they got stuck in a strangling bow.:
they gave their gods their way in everything,
they sacrificed idols their own child,
their sons and daughters, their blood!
What a shame!
Filthy people, ruined, with no heart.
What about Earth?
A pool of drek became his beautiful country.
A beautiful future, a beautiful country
had God promised them, they would not have trusted him.
In their tents
the nagging continued.
From what God said,
in the meantime, not a word got through to them.
So the Lord let go of his people:
they were allowed to blow up in the desert.
Pointless, nameless
had their children to exist in the future;
aimless, Godless,
just live to perish again.
The Lord was tired of it, he despised His people.
He let the enemy commit in his rage.
Once again, strangers became the master of the people.
That was suppressed, could hardly exist.
But every time God looked to his people,
that was always so stubborn, so stubborn.
He saw their misery, had an eye for their distress.
He couldn't stand to see it, and he regretted it again.
These were his people.,
people of promise and people of his heart.
By God's love
even the enemy was concerned with their fate.
You are our God, hear us, set us free.
We live scattered, bring us together
so our voices can be one song,
a song of praise for you who wish to continue with us.
Lord, thank you,
thank you for being God of Israel.
All times
you have given, you hold.
Everyone knows
that you are the Lord. We sing to you,
say amen,
amen to all that you did and do.
All glory to God.